Hoofdstuk 2

 

De reislust van de Amerikaanse passagiers

 

2.1De stroom reizigers uit de V.S. naar Europa tot aan de jaren negentig.

 

                   De V.S. en het Verenigd Koninkrijk stonden sinds de Onafhan­kelijkheidsverklaring van de eerste in politiek opzicht vaak op gespan­nen voet met elkaar, maar financieel­-eco­no­misch en sociaal‑cultureel waren deze landen nauw met elkaar verbonden. Tot aan het begin van de twin­tigste eeuw zouden de V.S. bijna uitsluitend grondstoffen en vooral land­bouwpro­dukten naar Europa uitvoeren. Al in 1860 kocht Europa zo'n vier­-vijfde van wat de V.S. wens­ten te verko­pen, waarvan de helft door het Verenigd Ko­ninkrijk werd afgeno­men.[1] De finan­ciële politiek werd voor het Britse imperium ‑maar ook voor de V.S.‑ de facto uitgestippeld in Londen en nadat men in de V.S. in 1879 was overgegaan op de gouden standaard, waren de economieën van beide landen meer dan ooit met elkaar ver­bonden.[2]

                   Sociaal‑cultureel was de relatie gecompliceerder van aard. De meeste inwoners van de V.S. waren uit Europa afkomstig, met een toonaangevende rol voor de inwoners uit het Ver­enigd Koninkrijk.[3] Hoewel de Amerikanen in het postrevolutionaire tijdperk zich van Europa en het voormalige moederland, in eerste instantie distantieer­den in de hoop een eigen natio­nale en culturele identiteit te kunnen ontwikkelen, bleef Europa toch het conti­nent tegen de achter­grond waarvan de kwaliteit van de jonge min of meer egalitaire, maar de­mocratische samen­leving moest worden gedefinieerd.[4] De inwoners van V.S. konden niet gemakkelijk hun cultu­rele erfe­nis afwijzen, of­schoon algemeen in de V.S. vooral de nadruk werd gelegd op de ver­schillen. De cultuurhistori­sche band tussen het oosten van de V.S. en het Verenigd Ko­ninkrijk was zeer krachtig. Bovendien werden beide naties verbonden door een gemeenschap­pelijke taal. De An­gelsaksische tradities waren te sterk. Deze waren zelfs zo sterk dat de Amerikaanse schrijver Emerson kon opmerken:

                   "the American is only a continuation of the English genius into new conditions".[5]

                   Maar die gevoelens waren op zijn minst nogal ambivalent: de aantrekkingskracht van de oudere cultuur was bijna even groot als de gevoelens van weerzin die men voelde voor de hiërarchisch gestructureerde samenlevingsvormen in de Oude Wereld. Per slot van rekening had­den de meeste emigranten niet zonder reden hun oorspronkelijke va­der­land verlaten. In dat re­publikeinse denken stond de afkeer van die decadente, "aristo-de­mocra­tie" in Engeland cen­traal.[6] Tot aan de Burgeroorlog streden in elke Amerikaan­se de­mo­craat bewondering en afkeer om de voorrang. Men had bewondering voor de in­dus­triële ont­wik­keling, maar een diepe afkeer van de sociale ongelijkheid in deze samenle­ving met zijn extreme verschillen tussen rijk en arm, waarin bovendien een ieder zijn plaats op de maatschappelijke ladder leek te kennen. De eerbied waarmee de aristocratie werd behan­deld was voor de gemiddelde Amerikaanse reiziger onbegrijpelijk. Die af­han­kelijke hou­ding was in strijd met het republikeinse gedachtengoed en in die visie mis­plaatst.[7]

                   Er is geen eenduidige verklaring te geven waarom voor velen de reis naar Europa, en het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder, zo aantrekkelijk was. Men zou globaal een aan­tal culturele en psychologische drijfveren kunnen aanwijzen, zoals de uitdaging van een reis door de Oude Wereld en of voeling houden met de eigen wortels. Ook mogelijk­he­den van scholing en opvoeding voor de kinderen vormden een belangrijke overwe­ging.[8] Men wilde niet afgesneden raken van de Europese culturele ontwikkelingen en men wilde zien in hoeverre men als jonge natie erin slaagde een eigen cultuur te ontwik­kelen. Bo­vendien was er de sterke Angelsaksische traditie om ter voltooiing van de op­voeding een cultureel georiënteerde rondreis door Europa te maken, de 'Grand Tour'; een gewoonte die in deze jonge natie bij gebrek aan een blank, Westers verleden door kapi­taalkrachtige families werd overgenomen.[9] De reis was bovendien een noodzakelijke com­ponent  (naast ver­mogen en goede opleiding) om sociaal aanzien te verwerven.[10] Wat ook de drijf­veer geweest moge zijn, vele Amerikanen ondernamen de 'pelgrimstocht' naar Europa. En­geland was voor velen het belangrijkste reisdoel en zou dat  lange tijd ook blijven, maar van daaruit werden ook andere landen bezocht.

                   Ofschoon betrouwbare cijfers ontbreken, werd het aantal Amerikanen dat in 1850 naar Europa reisde al op 25 tot 30.000 geschat.[11] Volgens de schrijver N.Hawthorne o­ver­trof in 1858 het aantal Amerikaanse toeristen in Florence al het aantal Engelse.[12] Naast handelaren, ambtenaren en kooplieden, vormden deze vroege welgestelde reizigers de kajuits‑klasse‑passagiers.

                   Zo'n zeereis was trouwens geen sinecure. De Atlantische Oceaan wordt gerekend tot de meest ruwe en onberekenbare zeeën ter wereld; dus in de hoop een kalme zee te tref­fen werd er door de toeristen bijna uitsluitend tussen voor‑ en najaar gereisd. Zeeziek­te en verveling op een reis van aanvankelijk ten minste 17 dagen, als de reiziger gebruik maak­te van een stoomschip, waren veel voorkomende problemen. Wandelen op het dek, con­verseren met de medepassagiers, lezen, muziek maken, gokken op de per dag af­geleg­de afstand en overvloedige maaltijden tot zich nemen waren de wat beperkte mogelijkhe­den op zo'n reis.[13]

                   Na aankomst kon de duur van een  vakantiereis door Europa gemiddeld drie maan­den duren. Het Verenigd Koninkrijk vormde onveranderd het eerste reisdoel waar men gewapend met introductiebrieven aan land ging. Daarna vertrok de meest avontuurlijke reiziger naar het continent, om tenslotte na enkele maanden meestal weer via Engeland terug te reizen naar de V.S.[14]

                   De reizigers moesten de gehele trip zelf regelen en reisden tot aan de komst van de 'travellercheque' in de jaren negentig, een Amerikaanse inventie, noodgedwongen met veel geld op zak. De 'letter of credit' was niet altijd voldoende om aan geld te komen. Goe­de Amerikaanse reisgidsen voor Europa bestonden er voor 1850 niet en de reizigers wa­ren aangewezen op gidsen met niet altijd betrouwbare wenken.[15]

                   Na de Burgeroorlog zou de Amerikaanse reiziger met een andere instelling naar Europa komen. De traumatische ervaring van die oorlog met ongeveer één miljoen doden had ondanks alle problemen, een aantal positieve neveneffecten. De Amerikaan ging zich meer dan voorheen een deel voelen van een continentale natie en daardoor kreeg de ont­wikkeling van de 'Western frontier' dankzij de spoorlijn grote prioriteit. Door een razend­snelle industriële ontwikkeling waarvoor de Burgeroorlog een uitstekende stimu­lans was gebleken en die werd beschermd door hoge tariefmuren, ontwikkelde zich tot aan 1900 een economie, die ondanks de gigantische aantallen im­migranten en dalende prijzen, een toename van het reëel inkomen per hoofd van de bevolking te zien gaf die nog door geen ander land is geëvenaard.[16]

                   Het aantal reizigers werd in 1866 al weer geschat op 50.000 en dat getal zou vol­gens schattingen redelijk stabiel blijven tot aan de jaren tachtig.[17] De nieuwe generatie Ameri­kaanse toeristen ging vanaf die tijd meer naar Europa om zich met zo'n reis in eigen land sociaal prestige te verwerven.[18] Voor steeds meer reizigers was Engeland nog slechts een eerste halteplaats. Men ging vaker naar Parijs, de culturele metropool waar bijvoorbeeld kleding van de laatste mode gekocht werd en/of later in de eeuw genoten kon worden van het 'pikante' vermaak in nachtclubs en muziekhallen; en men reisde naar Zwitserland vanwege zijn aangename klimaat of naar Italië met zijn rijke kunsthistorische  ver­leden. In vele steden vormden zich Amerikaanse kolonies.[19] Door de steeds maar toe­ne­mende interesse voor Europa en de Europese cultuur vestigden zich vele  kunstenaars (semi)permanent in Europa. Op de terugweg werden de kuuroorden in  Duitsland bezocht en zo nu en dan werd een uitstapje gemaakt naar België en Nederland, waarna men weer via Engeland afreisde naar de V.S.

                   De 'pelgrimstocht' van de Amerikaan naar het 'oude' Europa was van karakter veran­derd: de toerist zocht nieuwe indrukken en wilde plezier maken. Er deed zich bo­vendien rond de jaren tachtig een 'scheiding der geesten' voor, ook onder de toeristen. Beroepsrei­zigers als de schrijvers H.Adams en H.James zetten zich tegen deze toeristen af, maar ook kan hier als een ander voorbeeld verwezen worden naar de onbekende Ame­rikaanse Mabel Loomis met haar volgens Gay "solid, slightly snobbish feeling for her fine distinc­tions that discriminated each level of the middle class of its neighbors". In 1885 schreef zij op een reis door Europa: "I do not wish to be classed with the average Ame­rican travel­lers (who, I must say, are the vulgarest people we meet) and no amount of money, or even great kindness of heart, can cover up the vulgar & common tone of an American self‑ma­de business man." [20]

                   Engelands verleden behoorde niet langer tot de culturele erfenis van velen maar werd door de toerist op zoek naar zijn wortels meer en meer op een romantische wijze beleefd vanuit de Engelse litteratuur: Strathford‑on‑Avon en Kennilworth werden belang­rijke plaatsen in een druk reisschema.[21] Bezoeken aan toen al voor het publiek openge­stelde kastelen van de adel en een introductie voor het Engelse hof vormden tezamen het hoogtepunt van een bezoek aan Engeland.[22] De Engelse adel met zijn rituelen sprak weer tot de verbeelding en het verschil in stand tussen personen werd mede door de opkomst van een eigen geldaristocratie niet zonder meer afgewezen.[23] Voor een deel van de Ame­ri­kaanse reizigers bleef cultuur een belangrijke drijfveer voor het reizen, maar Europa kreeg toch al voor vele als een proto‑Disneyland pretparkachtige dimensies. Daarmee ontstond de scheiding tussen de toerist op zoek naar oppervlakkige genoegens en de in Europese cultuur geïnteresseerde reiziger.[24] De ontwikkeling van een massaler toerisme kreeg een extra stimulans door een nieuw verschijnsel: het reisbureau en de georganiseer­de reis. In 1873 organiseerde de pionier onder de Engelse reisbureaus, Thomas Cook, als eerste een reis voor Amerikaanse toeristen naar Europa.[25] Voor een relatief klein bedrag bood Cook een bemiddelde Amerikaan een reis door Europa aan onder leiding van een reisleider. Dit had van meet af aan succes: de Grand Tour werd een Package Tour.[26] Voor  $ 500 maak­te men een reis van 9.000 mijl (waarvan 3.000 mijl op zee) in 85 da­gen.[27] Was het reizen tot dan toe een hoogst individueel gebeuren geweest, nu ging men in groepen dezelfde plaatsen bezoeken, dezelfde kunstwerken bewonderen, gezamenlijk dineren en in hetzelfde hotel overnachten, alle aspecten van het moderne geregisseerde reizen. Uit de reisbe­schrijvingen komt een beeld naar voren dat herkenbaar is: snelheid, haast, vermoeidheid en de eeuwige tijdsdruk om overal op tijd te zijn en zoveel mogelijk te zien.[28]

                   In 1890 was het aantal bezoekers van Europa al opgelopen tot circa 100.000 per  jaar.[29] Het waren deze reizigers aan wie door de rederijen voor de duur van de oversteek een aantrekkelijk onderkomen moest worden geboden. Daarbij kon niet voorbij gegaan worden aan opvattingen over comfort en luxe die in de V.S. waren gegroeid.

 

2.2De ontwikkeling van een 'reiscultuur' in de V.S.

 

                   Ofschoon luxe door 'steile' New Englanders als John Adams in het post‑­revolu­tionai­re tijdperk met decadentie en moreel verval werd gelijkgesteld, waren er ook an­deren, zoals Benjamin Franklin, die de mening hadden dat luxe, mits die aan bepaalde voor­waarden voldeed, een zegening en een beloning voor een hardwerkende bevolking zou kunnen zijn. Maar de eerste helft van de ne­gentiende eeuw had men toch te maken met het probleem hoe luxe in het leef­patroon in te passen was, zonder de republikeinse waar­den en deugden geweld aan te doen.  Een oplossing van dit dilemma leek te liggen in het uitgangspunt dat wanneer luxe aan velen ten goede kwam, het niet schadelijk kon zijn. "Lu­xury is debilitating and demoralising only when it is exclusive", verklaarde een predi­kant in 1853.[30] Ofschoon de ongelijkheid tussen de blanken minder groot was dan in Europa, waren er omstreeks 1850 al honderden families die grote for­tuinen bezaten en die op vergelijkbare voet leefden als de welgestelde Euro­pese  bour­geoisie.

                   "Squadrons of servants, impressive libraries, elaborate furniture, scurptuous furnis­hings, stores of the finest wines and expressive works of art filled the in­teriors of the homes of the American elite".[31]

                   Toch woonde de gemiddelde Amerikaan over het algemeen comfortabel maar so­ber. De in­richting van de woningen was doelmatig en decoratie spaar­zaam. Nog in 1868 gaf de London Art Journal als algemene indruk: "He is an utilitarian, not a deco­rator".[32] Industriële goederen daaren­tegen werden vaak wel van uitbundige decoratie voorzien. Een Engels tijdschrift spreekt in 1876 van: "Or­nament as a characteristic of en­gineering prac­tice in America". Kasson zegt daarover:

                   "Machine ornamentation represented an effort by engineers, manufacturers, and Ameri­can society as a whole to assimilate the machine in the Republican civilization, to sig­nify its honored status in the life of a nation and to enhance its reputation as art."[33] Het is tegen de achtergrond van deze kwesties dat de ontwikkeling van de 'reiscultuur' in de V.S. nadere bestudering behoeft, omdat deze nogal afwijkend is van het hier boven ge­schetste beeld van de woning.

                   Een vroeg voorbeeld van uiterst comfortabel vervoer waarbij luxe niet werd  ge­schuwd, vormden de trans-Atlantische zeilschepen. Zoals we zagen domineerden de Ame­rikaanse zeilschepen vanaf 1820 het trans-Atlantisch ver­keer. Deze zeilschepen waren ge­bouwd voor het luxevervoer van kajuits‑klas­se‑passagiers en het transport van emi­granten en lading.[34] De "Liverpool" (1.364 b.r.t.; ca.56 meter) werd in 1843 in New York ge­bouwd en was een driedeks zeilschip voor kajuits‑klasse‑passagiers met ruimte bene­den­deks voor 500 emigranten en 1.500 balen katoen. Een beschrijving sprak van zeer ruime gemeenschappelijke verblijfsruimten en suites met douches.[35]

                   Deze schepen waren exponenten van een Amerikaanse 'reiscultuur' die zich al in het begin van de negentiende eeuw aankondigde en zich in haar ontwikkeling verder goed laat volgen op de rivierschepen, in Pullman treinstellen en hotels. Het beoogde doel van het hier volgende korte exposé is te laten zien dat de Amerikaanse reiziger het als zijn onvervreemdbaar democratisch recht zag op zijn reizen, binnen eigen land of in den vreemde, comfort en luxe aan te treffen en daarvoor ook wilde betalen. De afstanden in de V.S. waren naar Europese maatstaven enorm en wegen van enige kwaliteit waren be­gin negentiende eeuw alleen aan de Oostkust te vinden. Om langere afstanden te over­bruggen had de reiziger de keus tussen het paard, de 'stage‑coach' en de rivierstomer. Deze laatste vormde het belangrijkste vervoermiddel sinds haar introductie tussen 1810 en 1820 en was te vinden op alle grote bevaarbare rivieren zoals de Hudson, de Ohio, de Mis­souri en de Mississippi, de verschillende verbindingskanalen en ook op de Grote  Meren.[36]

                   Oorspronkelijk hadden de rivierschepen op de Mississippi de vorm van zeilschepen, maar dat bleek onpraktisch op de ondiepe rivieren. Omstreeks de jaren veertig groeide daaruit de karakteristieke vorm met meestal het scheprad achterop, de hekwieler. De zeil­dragende masten verdwenen en het dekhuis strekte zich uit over het hele schip. Het eerste dek van deze schepen was bestemd voor lading en weinig betalende dekpassagiers. Boven dit dek uitrijzend lag, op slanke metalen zuilen, het dekhuis waarin de accom­modatie voor de kajuits‑klasse‑passagiers was gesitueerd. Deze accommodatie bestond meestal uit een grote salon langsscheeps opgetrokken over meerdere dekken met aan de ene zijde een bar en aan de tegenoverliggende zijde een damessalon. De salons werden omzoomd door hutten. Aan de buitenzijde bevond zich nog een galerij langs de hutten. Al heel snel kreeg het interieur van de grote salon extra aandacht. Er werd een uitbundige wand‑en plafond­versiering met veel vergulde ornamenten aangebracht. In deze  om­geving werd comfor­tabel, maar opzichtig zitmeubilair geplaatst dat verwees naar Europe­se his­torische stijlen maar was bekleed met pluche en fluweel. Aan het plafond hingen kristal­len kroonluchters. Er was altijd een piano aan boord, waarop passagiers zelf muziek konden maken. Ven­sters en koekoeks in het dek kregen glas‑in‑lood, waardoor een feestelijk interieur een extra kleuraccent kreeg. Een aparte salon voor dames was een ab­solute voorwaarde, want de differentiatie naar sexe ging in deze periode in de V.S. heel ver.[37] Het doel van die salon was volgens F.Trollope dat vrouwen geheel gescheiden reis­den van de mannen, gehuwd of niet. Slechts tijdens de maaltijden ‑en voor gehuwden 's nachts‑ was sociale omgang tussen de sexen mogelijk.

                   De interieurs van deze rivierschepen werden wel aangeduid met het scheldwoord 'steamboat Gothic', maar het niveau van het geboden comfort was dermate hoog, dat in de volksmond al snel betitelingen als `floating palaces' en `moving hotels' gangbaar wer­den, ver voordat dezelfde benaming werd toegepast op de transatlantische schepen.[38] Ook al door de copieuze maal tijden die op gezette tijden werden geserveerd was het goed toe­ven aan boord.[39] Als extra attractie boden de kapiteins hun passagiers vaak de span­ning aan van een race tegen een mededinger.

                   De stoomschepen in het Oosten en op de Grote Meren leken op de schepen die de oceanen bevoeren met de schepraderen aan de zijkan­ten. Zij waren gebouwd voor het vervoer van uitsluitend passagiers en niet voor het mee­nemen van lading.[40] Het waren meestal zeer lange schepen met weinig diepgang die een grote over twee dek­ken opge­trok­ken salon hadden met een rij zuilen in het midden als steunpunten. Er was een dub­bele rij kajuiten boven elkaar met aan de binnen zijde van de grote salon een galerij er langs. Aan het hoofdeinde betrad men de salon via een magi­strale trap. In de salon was een rijke be­schildering en betimmering aan­gebracht en er was de onmisbare piano.[41]

                   De betekenis van de rivierstomers werd vanaf de jaren veertig teruggedrongen door de opkomst van de spoorweg. De schepen op de Hudson bleven als vervoermiddel echter nog lang populair.[42]

                   De inrichting van de meeste treinwagons kon niet direct concurreren met die van de rivierschepen, maar toch was een `democratische' opvatting over comfort al direct ge­meengoed. De treincoupé werd in de V.S. niet opgedeeld in compartimenten, zoals bij­voorbeeld in Engeland het geval was en leek daardoor in vorm meer op een scheepssalon dan op een koets.[43] Er was geen klassenonderscheid en al in de vijftiger jaren overtrof het geboden comfort dat van de Europese treinen. Bij de meeste spoordirecties in de V.S. vond men dat elke reiziger een zeker comfort moest hebben op zijn ‑meestal langdurige‑ treinreis. Dat leidde eerst tot de toepassing van het zogenaamde `patent‑meubilair', ver­stelbaar meubilair zonder veel versiering, maar met een behoorlijk comfort.[44] Maar dit comfort kon nog niet op alle trajecten worden teruggevonden. Vanaf 1867 veranderde met de introductie van de luxueuze Pullman slaapwagon, in 1868 gevolgd door de res­taurant­wagon, het geboden comfort aanzienlijk en was in principe het klassenonder­scheid een feit geworden. Zo'n Pullman was een wagon met pluche bekleding, walnoten betimme­ring, candelabers aan het plafond en (Franse) spiegels tegen de wand.[45] In de jaren ze­ven­tig nam trouwens het comfort aan boord van de treinen over de gehele linie nog aan­mer­kelijk toe: er verschenen bijvoorbeeld treinstellen op de transcontinentale route die voor­zien waren van slaapwagons, zitkamers en rooksalons, een boekerij en badkamers.[46]

                   Dit type luxe‑vervoer was in die tijd in Europa voorbehouden aan vorstenhuizen.[47] Pas vanaf 1876 zou door de Belgische Compagnie Internationale des Wagon‑Lits enigs­zins vergelijkbaar comfort worden geïntroduceerd.[48] Op de belangrijke invloed van het comfort in de V.S. op dat in Europa voor de gemiddelde reiziger wees Giedeon al in 1947:

                   "This democratic outlook of the early years of American railroadbuilding has been pas­sed down to the modern European traveler in the continual perfecting of his comfort .[49]

 

2.3De eerste luxe hotels in de V.S.

 

                   In de V.S. liep de ontwikkeling van het comfort op de passagiersschepen en op de grote rivierstomers parallel met het verschijnen van het luxe hotel als nieuw ge­bouwtype in de grote steden, badplaatsen en kuuroorden. Ofschoon die ontwikkeling in de V.S. op zich niet uniek was en parallel liep aan die in Engeland en Zwitserland (waarover later meer) verschilde deze in een aantal opzichten van de Europese ontwik­keling. Het is zelfs niet ondenkbaar dat het luxe hotel zoals we dat nu kennen als Ame­rikaanse inventie moet worden aangemerkt.[50]

                   Het Amerikaanse hotel in de stad was veel meer dan zijn Europese tegenhanger een plaats waar sociale evenementen plaats vonden; het was niet uitsluitend bedoeld als onder­komen voor de nacht.[51] Het hotel was een plaats waar (zaken)mensen elkaar trof­fen, men sociaal `gezien' wilde worden en belangrijke politieke en sociale gebeur­tenissen plaats vonden.

                   Een ander significant verschil betrof de schaal: in de V.S. waren de hotels groter en bevat­ten veel meer kamers.[52] Verder was er de voorkeur voor een in technische en hy­gië­nische zin gea­vanceerde inrichting. Vroeger dan waar ook ter wereld kon men er privé­bad‑ en toiletfaciliteiten vinden, gasverlichting, liften en centrale verwarming.

                   Het eer­ste luxe stadshotel was het Tremont hotel (1827‑1830 architect J.Rogers)in Bos­ton, een monumentaal neo‑classicistisch gebouw van vier verdiepingen met een Grieks­‑Dorische

                         porticus.[53] Het Tremont bevatte 170 kamers, een eetzaal voor 200 gasten, twaalf gezel­scha­ps­­­ruimten verlicht door gas en beschikte onder andere over de volgen­de noviteiten: een hotelbar, acht badkamers met stromend water (met gratis zeep!) en toilet­ten in de kelder. De gezelschapsruimten waren drie aan drie gegroepeerd om de`office of lobby' en beston­den uit twee ontvangstruimten, een leessalon waar de gast kranten in kon kijken of ge­bruik kon maken van de boekerij en een `drawing‑room' voor heren. Verder waren er voor de dames een aparte eetsalon en een `drawing‑room'. In de keuken zwaaide een Franse kok de scepter. Door een monografie uit 1830 kreeg dit hotel grote bekendheid en fungeerde het lange tijd als voorbeeld voor de hotelbouw in de V.S.[54] Dit hotel was in veel opzichten nieuw en trendsettend. In de plan­ning vond men reeds alle ruimten die vanaf dat moment een hotel zouden karakteriseren, bijvoor­beeld een lobby met lounge en erom­heen gegroepeerd de gemeenschap­pelijke verblijfsruimten. Al spoedig zouden er in an­dere hotels winkeltjes aan worden toegevoegd, waar de hotelgast souvenirs of een tijd­schrift kon kopen.

                   De gezelschapsruimten waren in die periode nog naar sexe gedifferentieerd en de `drawing‑room' voor heren zal ongetwijfeld als rooksalon hebben gediend. Roken was in de V.S. al heel vroeg in de negentiende eeuw een tijdverdrijf dat uitsluitend door mannen werd beoefend. Ook werd na de introductie van de gaslamp vrij algemeen gasverlichting toegepast. Een Franse kok in de keuken was een nieuw modeverschijnsel. De Franse keuken was pas in de eerste decennia van de negentiende eeuw aan haar opmars bij de welgestelden begonnen met het inhuren van `overgestoken' Franse koks en het luxe hotel speelde in op deze nieuwe voorkeur.[55]

                   Een Amerikaanse inventie was bijvoorbeeld ook het gebruik van overvloedig ijswa­ter bij de maaltijd, maar ook de hotelbar was van Amerikaanse origine. Zo'n bar was een informele ruimte met een toog met of zonder krukken. Deze ruimte zou pas veel later in Europa in de planning als `American bar' worden opgenomen. Verder was er al het rela­tief grote aantal badkamers, toen opvattingen over hygiëne in Europa nog nauwelijks waren ontwikkeld. In het hotel vond de toepassing van technologie die service en hy­giëne verbeterden, altijd snel ingang. In 1832/33 werd in het Holt  Hotel in New York, een ge­bouw van zes verdiepingen met 225 kamers, al een bagagelift gemonteerd. De cen­trale verwarming deed vanaf 1846 zijn intrede in het Eastern Exchange Hotel in Boston en in 1859 werd de eer­ste passagierslift in het Fifth Avenue Hotel (architect W.Washburn) in New York geïnstal­leerd.[56] Ook hier werd direct gasverlichting toegepast, terwijl alle ge­zel­schapsruimten van het Hotel Everett in New York in 1882 van elektrisch licht wer­den voorzien.

                   De luxe hotels werden in de daarop volgende decennia een normaal verschijnsel in de grote steden, maar onderscheidden zich bijvoorbeeld in New York in architecturale zin niet echt van de andere gebouwen. In het interieur was echter de opmars van de luxe begonnen: het Tremont kostte nog maar 300.000 dollar, de constructie en inrichting van het St.Nicolas Hotel van 1853 in New York kostte meer dan een miljoen dollar.[57]  Het

                         Fifth Avenue Hotel (1856‑59) bood al een afwisseling aan stijlen in het interieur: Lode­wijk XIII in de lobby, Lodewijk XIV in de `drawing‑room' en `Queen Anne' in de eet­salon.[58]

                   Ook in andere Amerikaanse steden bevonden zich reusachtige luxe hotels, zoals het

                         Palmerhouse in Chicago (1872, J.M.van Osdell) of het Palace hotel (1875 architect  J.Gaynor) in San Francisco met zijn zeven verdiepingen en bijna 1.000 kamers met 500 baden.[59] Toen in 1876 Europese reizigers op bezoek waren in Philadelphia ter gelegen-

                         heid van de `Centennial' wereldten­toonstelling, bleek behalve het op tijd aankomen en ver­trek­ken van de trein vooral het comfort in de trein en in de hotels zozeer op prijs te wor­den gesteld dat er veelvul­dig over werd bericht.[60]

                   Er werden ook hotelsuites op een semi‑permanente basis verhuurd aan gasten. Die ontwikkeling had zich al voor de Burgeroorlog aangediend in bijvoorbeeld het Tremont  Hotel in Boston, maar werd pas na afloop van die oorlog min of meer geaccepteerd, al bleef het een grootstedelijk verschijnsel.[61] Uit dit concept ontwikkelde zich het zoge­naam­de appartment‑­hotel, dat de huurder volledige suites bood, een uitstekende kamer­service en exquise maaltij­den.[62]  Het begrip `thuis' was blijkbaar een niet zo honkvast idee bij een deel van de `Society' of zoals J.Wechsberg het uitdrukte:

                   "It was more a portable concept, which they carried with them, and imposed upon  whatever place they might be staying in."[63]

                   In de jaren tachtig waren het comfort en de service zo hoog opgevoerd dat in een luxe hotel een gast niet uitsluitend zeer comfortabel kon logeren en een bad kon nemen, maar er ook naar de kapper kon, nieuwe kleding kon aanschaffen, theaterkaartjes reserve­ren, telegraferen, boeken en kranten kon kopen en passagebewijzen voor elke rederij of trein­kaartjes kon bestellen.[64] Maar de werkelijk spectaculaire hotels zouden pas na 1890 worden gebouwd.

 

               2.4De hotels in Europa

 

                   In Europa ging de ontwikkeling van het luxe hotel aanzienlijk langzamer. In Duits­land wa­ren er sinds de achttiende eeuw al enige hotels in de kuuroorden voor een adel­lijke cliëntèle. In Engeland trof men hotels vooral aan in de badplaatsen aan de kust, maar met de opkomst van de spoorweg kregen hotels als publiekstrekker ook in de ste­den nieu­we betekenis.[65]

                   Het was echter met name Zwitserland als ontvangend toeristenland, dat al snel na 1830 een grote concentratie aan luxere hotels bezat. Zwitserland was `ontdekt' als zomer­vakantiebestemming door de Engelsen om zijn pittoreske Alpen­landschap en zijn zuive­re berglucht voor gezonde fysie­ke inspanning. De eerste Engelse reisgids voor Zwitser­land verscheen in 1805.[66] In deze periode, voor de aanleg van de spoorweg, hadden bezoe­ken nog geen structureel karakter. Maar vanaf 1820 begonnen Zwitserse ondernemers met de bouw van hotels in de steden, aan de meren en in de laag gelegen valleien. Baedecker schreef over deze hotels in 1844, het jaar dat Zwitserland aanslui­ting kreeg op het inter­nationale spoorwegnet in opbouw, dat de Zwitsers de beste hotels ter wereld bezaten.[67] Het waren voornaam ogende, in neo‑classicistische stijl opge­trokken hotels met het aan-

                         zien van een stadspaleis, zoals bijvoorbeeld het Hotel Bauer uit 1836/1838 van de archi­tect D.Pfister in Zurich.[68] Al in 1840 werd het jaar­lijks aantal bezoekers in Zwitserland op 30.000 geschat.[69] In 1853 waren er al ca. 14.000 herbergen/hotels op een bevolking van minder dan 2,5 miljoen inwoners.[70]

                   De Zwitsers zouden niet de eersten zijn die het nut en de psychologische functie van een hotel met een luxueus decor voor kapitaalkrachtige en vooral klassebewuste gas­ten onderkenden. De eer voor die ontdekking gaat naar de Fransen. Parijs kende twee be­roemde hotels, het Meurice en het Bristol, die beide uit de tijd van de Restau­ratie stam­den. Deze hotels waren een vroege vorm van een 'apartementhotel'. Men huurde er geen kamer maar een volledig appartement met twee tot vijf kamers. Deze hotels waren zeer populair bij de Engelsen ondanks de zeer hoge ver­blijfskosten. Verder bezat Parijs lange tijd nauwelijks gewone luxe hotels. Om de komst van hotels te bevor­deren met het oog op de Wereldtentoon­stellingen die vanaf 1855 werden georganiseerd, kregen de onderne­mers van Napoleon III vrijstelling van belasting. Het eerste luxe hotel was het Hotel du

                         Louvre uit 1854 (architecten A.Pellechet; J.I.Hittorf, C.Rohault de Fleury), in 1867 ge­volgd door het Grand Hotel met 750 kamers (J.I.Hittorf, C.Rohault de Fleury).[71] Deze hotels waren op een voor­name plaats in de stad gesitueerd en hadden een architectoni­sche detaillering waarvoor de inspi­ratie werd geput uit de vorstelijke palei­zen van de Franse Barok; de grootte was daarentegen geïnspi­reerd door de Amerikaanse voorbeel­den.[72] In het interieur waren zij zeer ruim van opzet met grote salons en voorzien van een decoratie in verschillende Periode‑stijlen.

                   In Zwitserland werd deze opvatting over luxe overgenomen en door het samengaan met de spreekwoordelijke dienstbaarheid werden de Zwitserse hotels beroemd tot ver buiten de grenzen. De eerste hotels die zich met de Parijse voorbeelden konden meten waren het Hotel Beau Rivage uit 1865 (architecten De la Harpe en Bertolini) en het Hotel

                         National in Luzern uit 1869 (architecten A.Pfyffer en H.V. von Segessen).[73] Voor het ont­werp van de façade, uitleg en situe­ring was hier inspiratie geput uit de paleizen en villa's uit de Renaissance en Franse Barok. Deze luxe hotels kwamen in type en afmetin­gen meestal nog het meest overeen met adellijke paleizen zoals die gebouwd zijn sinds de zeventiende eeuw en zij werden dan ook `palace‑hotel' of `palast‑hotel' genoemd.[74] Het waren zonder uitzondering gebouwen van reusachtige afmetingen met meerdere  ver­die­pingen. Bijna altijd werd aan een symmetrisch gebouwtype met een geaccentueerde mid­denpartij, het corps de logis, en hoekkrisalieten of paviljoens de voorkeur gege­ven.[75] Het bouwlichaam werd veelal bekroond door een mansardedak. De interieurs moesten even­eens een representatief karakter hebben en door hun associa­tieve werking de maat­schap­pelijke status van de voorname hotelgast bevestigen. Men wendde zich hiertoe tot de Franse koningsstijlen, die een statig en toepasselijk decor garandeerden. Met name spie­gels werden veelvuldig toegepast voor een versterk­te ruimtewerking en om de sprook­jesachtige illusie te accentueren.[76] Zoals de grote kok Escoffier in 1903 in zijn Guide to modern Cookery zou uitleggen, maakten de hotels zo'n belangrijk deel uit van het leven van de welgestelden, omdat het uitstekende plaatsen waren om gezien te worden; dit gold vooral voor de (avond)kleding van vrouwen omdat de ruimten er op waren ontworpen deze zo voor­delig mogelijk te laten zien.[77]

                   De kapitaalkrachtige cliëntèle liet niet op zich wachten. Zwitserland werd in de  tweede helft van de  negentiende eeuw een geliefde vakantiebestemming voor de Euro­pese adel en de 'nieuwe' rijken. Dat be­tekende dat men afreis­de met familie, intimi en bedien­den, die ter plaatse ondergebracht moes­ten wor­den. Het hotel was de tijdelijke behuizing, waar men omstreeks 1870 gemid­deld zo'n anderhalve maand ver­bleef.[78] Dit verklaart de afme­tingen en de complexe plat­tegron­den, die deze luxe hotels in de tweede helft van de eeuw kregen door de vele suites, gezel­schapsruimten en bedien­denkamers. Een goede logistieke regulering van de stroom voor­name en gefor­tuneerde gasten was een absolute voor­waarde om enerzijds privacy te kun­nen garan­deren en anderzijds ruime mo­gelijk­heden tot gemeenschappelijk sociaal ver­keer te creëren. Er ontwikkelde zich een bonte rij gezelschapsruimten met een specifieke functie. Naast een zeer ruime ontvangst­hal met een monumentale trap kon men in het doorsnee luxe hotel rook‑, lees‑, schrijf‑, biljart‑, muziek‑ en conversatiesalons vinden. Daarnaast waren er meerdere salons waar men een maaltijd kon nuttigen, waarbij men een bal of theatervoorstelling kon bijwo­nen.[79]

                   Het verschil tussen de luxe hotels in de stad en die in de badplaatsen, kuuroorden of andere recreatieplaatsen, was hoofdzakelijk te vinden in de situering en de functie. In de stad waren de hotels geïntegreerd in de stedelijke structuur. De begane grond was vaak uit economische overwegingen verhuurd als exclusieve winkelruimte voor juweliers, reis­bureaus en dergelijke, ruimten die meestal vanuit het hotel bereikbaar waren. De ho­tels beschikten tot op dat moment vaak over ruime binnenhoven voor de lichtvoor­ziening van de kamers en de ontvangst van de koetsen, maar steeds vaker werd de ingang direct aan de straat gesitueerd en kon de hof, die meestal in het ontwerp bleef gehand­haafd, met een glazen koepel worden overdekt. Zo kon een binnenplaats in een palmen­tuin of res­taurant worden veranderd.[80]

                   In vorm en aankleding waren er tussen de stedelijke of meer landelijk gelegen ho­tels nauwelijks verschillen. De luxe hotels in de stad hadden niet overdreven veel  gezel­schapsruimten, daar het sociale leven zich buiten het hotel afspeelde, in privé‑woningen, theaters of clubs. In de recreatieplaatsen lag het hotel daarentegen vaak geïsoleerd op een pittoreske plaats en fungeerde als middelpunt van het sociale leven. Hierdoor was de behoefte groot aan een gedifferentieerd cluster gezelschapsruim­ten met een balzaal en speelsalons tot aan intieme privé‑restaurants. Vanaf 1870 werd het luxe hotelbedrijf even­als de clientèle, steeds meer internationaal van karakter. Omstreeks dat moment werd een uitwisselingsprogramma gestart waarin leerling‑koks en aankomende mana­gers zich inter­nationaal konden bekwamen. Ook nam men el­kaars inventies over.[81] Vanaf 1880 werden de hotels in Europa bijna uitwisselbaar en vertoonden zij "a depres­sing international like­ness", zoals een geregelde bezoekster het uitdrukte.[82] Londen, de financiële en han­dels­metropool van de negentiende eeuw en de drukst bevolkte stad ter wereld, had tot 1881 geen luxe hotels die zich met de eerder genoemde voorbeelden kon­den meten.[83] Maar vanaf de jaren tachtig verrezen daar evenals in andere Engelse steden, kuuroorden en badplaatsen, belangrijke hotels.

                   De Amerikaanse hotelbouw begon al vroeg op grote schaal de Europese te beïn­vloe­den, dit ook als gevolg van de reislust en de klachten van een steeds groter aantal Ameri­kanen over het gebrek aan comfort dat zij aantroffen.[84] Die invloed was dermate groot dat overal in Europa hoteleigenaren tot renovatie en aanpassing werden gedwongen, omdat de Amerikaanse reiziger ook in de Oude Wereld een groter technisch comfort en vooral een betere service wenste.[85] De Amerikaanse smaak werd normatief op het gebied van hygiëne, techniek en luxe. De ontwikkeling in de V.S. werd ook steeds vaker door de Europese hoteliers op de voet gevolgd. Handbuch der Baukunde had op de voorbeeld­functie van het Zwitserse hotelwezen voor Europa gewezen, maar de Amerikaanse hotels hadden volgens deze bron op het gebied van techniek, hygiëne en luxe geen vergelijk in Europa:

                   "wobei allerdings das Geld nicht gespart und in luxus Ausstattung und industriellem Com­fort als Luft, Warm und Kaltwasserleitung, Badeeinrichtungen etc. jeder Anspruch be­friedigt wird."[86]

                   De ontwikkeling van het comfort en de luxe in de transport middelen en de hotels in de V.S. leidde ertoe dat de Amerikaanse toerist in de tweede helft van de negentiende eeuw ook steeds hogere eisen zou gaan stellen aan het onderkomen aan boord van een pas­sagiersschip. Maar zoals we zullen zien kon niet direct de overmaat aan hotelruimten tot uitgangspunt worden genomen, omdat aanvankelijk aan boord van de passagierssche­pen onvoldoende dekruimte aanwezig was.

 

 

     [1]Woodruff, (1975), p.160. De V.S. daarentegen importeerden (aanvankelijk) machines, eind­produkten en kapitaal. Groot‑Brittannië was de grootste buitenlandse investeerder.

     [2]De economische interdependentie was zo groot dat de historicus Woodruff over de periode tot aan 1914 voor het Atlantische bekken spreekt als: "the economy of Greater Europe". Zie ook Dillard met zijn economisch historische analyse van de "North Atlantic community". Zie voor economi­sche stu­dies ook Bagwell/Mingoy en Holmes, (G.N.).

     [3]Turner, (A.C.), p.20 geeft de volgende schatting van de bevolkingssamenstelling van de V.S. tijdens de Onafhanke­lijkheidsoorlog: 82,1% Engelsen, 7% Schotten, 1,9% Ieren.

     [4]Pachter, p.21‑22. De V.S. bestond in de vroege periode uit nog niet veel meer dan de Staten aan de Oostkust en de katoen produ­cerende Staten in het Zuiden. Zie voor de verdeling van de rijk­dom in deze periode Pessen (1971), p.989‑1037.

     [5]Geciteerd in Turner, (A.C.), p.36. Zie ooik Dimbleby/Reynolds, p.22 e.v. en voor de 'myhte van de gelijkheid', Pessen, (1971), p. 999‑1004.

     [6]Zie voor de inhoud van deze door J.Huizinga bedachte term: Bédarida,(J.), p.203 e.v. Zie ook Dim­bleby­/Reynolds, p.12 e.v.

     [7]Zie daarvoor bijvoorbeeld Arnstein, p.218‑245.

     [8]Zie Pachter, p.24. De aristocratische families uit het Zuiden zonden hun kinderen naar Europa voor scholing en opvoeding, evenals de Puriteinen uit New Engeland. De katholieken uit Ma­ryland zonden hun kinderen naar katholieke scholen op het Europese continent. De Quakers en 'Moravians' bleven door reizen en correspondentie contacten met Europa onderhouden. Zie hiervoor ook Mead, p.8.

     [9]De bewoners van het Verenigd Koninkrijk waren oorspronkelijk op het gebied van reizen toon­aan­gevend: de Grand Tour was al sinds de zeventiende eeuw een voorwaarde sine qua non voor een goede opvoeding. Maar in de negentiende eeuw begon die traditie scheuren te verto­nen: recreatie in de vorm van kuren in het eigen land en op het vaste land kreeg steeds meer de voorkeur. Die ontwikkeling was zo stormachtig dat de bevolkingsgroei in de badplaatsen in Engeland groter was dan in de industrie­steden. Zie hiervoor ook Gay, p.49‑50.

     [10]Zie Pessen, (1971), p.1021‑1024.

     [11]Dulles, (1964), p.44. Volgens de kleinzoon van J.J.Astor, in zijn tijd een der meest vermogen­de per­sonen in de V.S., was om­streeks 1850 10.000 dollar per jaar voldoende om zich te kunnen wijden aan het 'goede' comfortabele leven en dit is inclusief een reis door Europa. Zie Pessen (1980), p.180.

     [12]Pemble, p.39.

     [13]Mees, p.15‑19.

     [14]Dulles, (1964), p.68. Blumenthal, p.30, noot 37, noemt tussen de 300 en 2.000 Amerikaanse bezoekers in Parijs voor 1820 tot 1840. Omstreeks 1868 zouden dat er ca. 5.000 zijn. Ook citeert hij een tijd­schrift American uit Baltimore dat voor 1873 het aantal permanent in Parijs verblijvende Ameri­kanen schatte op 30.000; het aantal tijdelijke bezoekers werd geschat op 10.000.

     [15]Roswell Park`s Handbook for American Travellers in Europe uit 1853 was volgens Lock­wood, p.294 de eerste. Paspoorten waren tot aan 1914 nog niet nodig voor Europa, ofschoon het een mis­verstand zou zijn te denken dat overal in Europa vrij gereisd mocht worden.

     [16]Brenner, p.175 en noot 70, ook Bagwell/Mingay, p.219. Zie ook Pessen, (1980), p.167‑189 die laat zien dat de financiële grond­slagen al veel eerder gelegd waren.

     [17]Lockwood, p.283.

     [18] Dulles, (1966), p.14‑15.

     [19]Zie Strout, p.62; Swinglehurst, p.143. De kolonie Amerikanen in Parijs telde omstreeks 1895 ca. 10.000 personen, waaronder vooral veel Amerikanen uit de Zuidelijke Staten. Zie Blu­ment­hal, p.30. Ofschoon voor Londen geen gegevens zijn teruggevonden moeten er daar min­stens evenveel hebben gewoond. Heindel, p.35 komt voor Engeland in 1922 op 19.768 per­sonen. Pemble, p.30‑40 geeft aan dat in Florence en Rome het aantal Engelsen ruimschoots werd overtroffen door de Amerikanen.

     [20]Gay, p.74. Zie voor soortgelijke observaties Dulles (1964), p.111‑112.

     [21]Schivelbusch, p.100; Davidson, II, p.276.

     [22]Lockwood, p.288 e.v.

     [23]Curti, p.853, sprak in zijn analyse van de Wereldtentoonstelling in 1876 in Philadelphia over zoge­naamde 'strict constructionists and stout nationalists' die Europa wilden weren van de wereldten­toonstelling vanwege het feit dat de meeste Europese landen werden geregeerd door de adel. Zij zagen dit als een belediging van de Amerikaanse geest. Dergelijke egalitaire opvat­tingen raakten ernstig geërodeerd met de opkomst van een geldaristocratie in steden als Boston, Baltimore en vooral New York.

     [24]Boorstin, (1961), p.93: "It was the decline of the traveller and the rise of the tourist" en p.94: "Thus foreign travel ceased to be an activity ‑an experience, an undertaking ‑ and instead be­came a com­modity." Zie verder Lickorish/Kershaw, p.14, voor een citaat uit een ambtelijk Amerikaans rapport over het toerisme "The beginnings of oversea travel between the United States and foreign countries by 'tourists', or travellers for pleasure, may be dated safely from the 1860s."

     [25]Swinglehurst, p.126‑127. T. Cook had al in 1841 zijn goedkope dagreizen per trein aan de man ge­bracht en in de daarop volgende jaren zijn activiteiten over geheel Europa uitgebreid, waarbij hij steeds meer voor een kapitaalkrachtige cliëntèle ging werken. Vanaf de jaren zestig had hij ook Zwitserland in het programma.

     [26]Zie Strout, p.111.

     [27]Dulles, (1964), p.108, geeft de volgende kosten: een driemaandelijkse reis kostte een Ameri­kaan als hij ruim leefde en eerste-klasse reisde in Europa zo'n 450 à 500 dollar. Dit was vol­gens Brenner, p.192, ongeveer anderhalf maal het gemiddelde reële inkomen tussen 1879‑88 ($ 337); voor 1895 komt  Dulles op $ 750, ongeveer tweemaal het inkomen ($ 368).

     [28]Lockwood, p.315‑317.

     [29]Boorstin, (1973), p.518‑520.

     [30]Zie bijvoorbeeld voor deze discussie Kasson, p.36‑40.

     [31]Pessen, (1980), p.181.

     [32]Pulos, p.150.

     [33]Kasson, p.160, Maass, (1973), p.110.

     [34]Schwarz/von Halle, I, p.17. Onder invloed van deze schepen was de indeling van de koop­vaardij­zeilschepen ingrijpend veranderd, waarbij onder meer kajuiten en ruimten voor de be­manning in een opbouw op het dek werden gesitueerd.

     [35] New York Herald, 6 februari 1843. Geciteerd in Cutler, p. 252‑253. Ook werd op dit schip al een apar­te rooksalon ver­meld.

     [36]De afstand over de Mississippy tussen bijv. New Orleans en Pittsburgh bedroeg zo'n 2.000 mijl.

     [37]Zie Trollope, (F.), Domestic manners of the Americans (1832), p.151/152. In de volgende decen­nia werd het gescheiden reizen al minder stringent doorgevoerd: de scheiding tussen de salon en de 'ladies‑parlour' vervaagde en er ontstond een gezamenlijke ruimte, met nog slechts een aangegeven scheiding in de vloerbedekking. Een man mocht alleen met toestemming van de meerei­zende dames die lijn overschrijden. Zie ook Hunter, (L.C.), p.393. Daarbij moet erop ge­wezen worden dat met name in de loop van de negentiende eeuw de Amerikaanse jonge vrouw de Europeanen zou verbazen door haar zelfstandigheid. Zie over dit onderwerp onder meer Zeldin, II, p. 129. De V.S. waren het eerste land dat vrouwen toeliet op de universitei­ten, waar vrouwen stemrecht kregen en vrouwelijke artsen een praktijk konden beginnen. Zie onder meer Gay, p.5.

     [38]De eigenaren probeerden elkaar de loef af te steken met rijk aangeklede interieurs. Zo spreekt Hunter, (L.C.), p.396 over: "Rich carpets, preferrebly Brussels, ornamental paintings, lustrous drape­ries, gleaming mirrors, ornate chandeliers, furniture of rosewood or mahogany, uphol­stered with velvet or plush". Zie verder ook Morrison, (J.H.), p.227. In 1840 schreef de door Amerika reizende Baron de Gerstner over een dergelijk stoomschip op de Mississippy: "The elegant boats contain a large splendidly furnished and ornamented saloon, used as a di­ning‑room, and a adjoining room for the ladies. The salons are surrounded by small apart­ments (state‑rooms) each of which contain two berths, and round the state‑rooms is an open gallery, to which a door opens from each state‑room." Zie Gloag, (1961), p.140.

     [39]Volgens de historicus en kenner L.C.Hunter, p.390 boden deze schepen hun passagiers: "a degree of luxury quite beyond the experience and imagination of the common man", een uit­spraak die door vele andere reizigers uit die periode wordt bevestigd. Zie daarvoor onder meer ook bij de Rotterdam­mer Mees, p.85, maar natuurlijk vooral Mark Twain, Leven op de Missis­sippi uit 1882, p.263‑270.

     [40]Kleine, p.17.

     [41]Lynes, (1954), p.93 en 94. Zie ook Davidson, II, p.228.

     [42]Zie daarvoor bijvoorbeeld de "Priscilla" (5.398 b.r.t.; 134 meter) uit 1894 in Lovell, p.439‑­482. De rijkdom van het interieur aan boord van dit schip van de Fall Line is ronduit verbluf­fend.

     [43]Volgens Schivelbusch, p.98 is dat zeer begrijpelijk omdat de rivierstomer in de V.S. het be­langrijkste verkeersmiddel vormde, meer dan bijvoorbeeld de koets die in Europa zo'n zelfde positie bekleedde. Zie ook Gloag, (1961), p.139.

     [44]Davidson, II, p.252. Ook waren er al vanaf 1857 eenvoudige slaapwagons. Zie daarvoor ook Giedeon, p.457. Reisbeschrijvingen van Europeanen laten er geen twijfel over bestaan, dat de Amerikaanse treinen op verschillende trajecten comfortabeler waren dan hun Europese tegen­hanger. Gloag, (1961), p.152.

     [45]Giedeon, p.452‑469.

     [46]Gloag, (1961), p.157. Ook werd er op de transcontinentale route een krant aan boord van de trein gedrukt, een gewoonte die op de transatlantische passagiersschepen ook al bestond. Schivel­busch, p.100; Davidson, II, p.276. Zie voor een zeer vroeg voorbeeld aan boord van een schip: Ball­/Wright, p.81.

     [47]Zoals bijvoorbeeld de trein uit 1857 door de Compagnie de Chemin de Fer de l'Est aangebo­den aan Napoleon III, naar ontwerp van C.Polonceau en met een interieur van E.Viollet le Duc.

     [48]In Europa bestonden tot ver in de jaren zeventig geen slaap‑ of restauratie‑wagons. De eerste die in Engeland verschenen, waren ingevoerd vanuit de V.S. De Pullman‑wagon (100 ton) was te zwaar voor het Europese spoornet en het `open karakter' van de wagon werd door de meeste Europeanen, die gewend waren aan de compartimentalisering, niet op prijs gesteld. Toch ver­overde deze firma En­geland, waar ze op dit gebied geen concurrenten had, zo ook Zuid‑Italië en op de route tussen Le Havre en Parijs, een route waarop met name juist Ame­rikanen reis­den. Zie daarvoor Behrend,  p.11‑21.

     [49]Giedeon, p.467.

     [50]Stern in Stern/Gilmartin/Massangale, p.253 ziet dan ook Amerika als de bakermat van het luxe hotel.

     [51]Zie daarvoor onder meer Williamson met zijn geschiedenis van het Amerikaanse hotel en ook West­fall, p.267.

     [52]Mees, p.91, vertelt in 1843 over het St.Charles Hotel (1837; architect J.Gallier) in New Or­leans dat bij zijn bezoek was vol ge­boekt met 700 gasten. Zoals een Amerikaanse historica het uitdrukt: "The American hotel [...] was really a labor‑saving device contrivance ‑ a monster structure, many stories in height, covering numerous city lots, and containing hundreds of rooms". Zie Boyer, p.57. Stern in Stern/Gilmartin/Massangale, p.253, citeert een Engelse jour­nalist uit 1861 "The American hotel is to an English hotel what a elephant is to a periwin­kle."

     [53]Zie onder meer Pevsner, (1979), p.179 en Stern/Gilmartin/ Massangale, p.232, maar vooral  Williamson, p.13‑29. Dit hotel was gefinancierd met aandelen, in die periode een unicum.

     [54]Zie ook Mees, p.21, die daar in 1843 kort logeerde. Hij spreekt al over Amerikanen die per­manent in het hotel resideerden. De roem van dit hotel werd overschaduwd door het iets latere Astor House, een hotel met 309 kamers dat dezelfde architect in 1836 in New York bouwde.

     [55]De reputatie van de Franse keuken was gebaseerd op publicaties, maar ook op de reislust van Fran­se meesterkoks.

     [56]Williamson, p.61‑63.

     [57]Dit was in een periode dat men met een inkomen van $ 3000 een comfortabel huis huurde en zich met dit bedrag bedienden, wijn, boeken, een paard, een landhuis etc. kon veroorloven. Met $ 10.000 extra was men echt rijk! Zie Pessen, (1980), p.180.

     [58]Boyer, p.58, schreef ten aanzien van New York: ".. hotel entrepreneurs placed a higher value on com­fort, convenience, and interior luxury than on architectural appearance". Zie verder ook Swinglehurst, p.112, voor een verslag van een reis door de V.S. van John M.Cook waar hij onder de bezienswaar­digheden van New York onder meer de hotels Astor‑House  en St.Nicholas  noemt. Hij was vooral onder de indruk van de interieurs van de gezelschapsruim­ten.

     [59]Williamson, p.66. Dit hotel bevatte een groot aantal gezelschapsruimten zoals muziek en bil­jartsa­lons. De binnenplaats had een oppervlak van 44 bij 15 meter en werd ter hoogte van de zesde ver­dieping met een glazen koepel overdekt. Deze ruimte werd gebruikt als wintertuin en als plaats voor concerten.

     [60]Zie hiervoor Maass (1973), p.109.

     [61]Zie voor de vroege geschiedenis Hancock, maar vooral Williamson, p.115 e.v. Brad­ford‑Landau, p.62 vermeldt dat er al in 1874 in New York de helft van de hotels door fami­lies en alleenstaanden als langdurige gasten werden bewoond. Zie ook Banner, p.72. Mennell, p.155 meldt wel dat er in Londen al exclusieve privé‑hotels bestonden, waarin de gast een suite met eetsalon huurde, waarin een Franse chef de maaltijd verzorgde. Maar die ontwikke­ling zette in Londen nooit door. De hotels in de V.S. stimuleer­den die ontwikkeling daar hun vaste gasten een vast inkomen garandeerden ook in slechte perioden. Bovendien was zo voor de hotelgast het probleem van het chronisch tekort aan huisper­soneel opgelost.

     [62]Inclusief een bibliotheek maar zonder keuken. Boyer, p.155. Omstreeks 1885 werd bijvoor­beeld voor New York het aantal reside­rende gasten in hotels al geschat op 100.000 per dag. Cijfers uit Pevsner (1979), p.180.

     [63]Wechsberg, p.188. Het ontstaan van deze gewoonte is niet duidelijk, maar Pevsner, (1979), p.184, suggereert dat ondermeer de luxe van de hotels niet gemakkelijk in de privé‑woningen kon worden geëvenaard. Ook de service die het hotel op elk moment kon bieden had een grote aantrekkingskracht. Zelfs de minder rijken verkozen een dergelijk leefpatroon, omdat het een niet geringe bijdrage leverde aan hun maatschappelijke status.

     [64]Taylor, (D.), p.97. Citaat uit Caterer & Hotel Proprietors Gazette, 5 juni 1880.

     [65]Monkhouse, p.118 en 140 en vooral Simmons, p.201‑222.

     [66]Hindley, p.109‑122 en Pimlott, p.201. Een extra stimulans kreeg dit vroege zomertoerisme doordat in 1857 de British Alpine Club werd opgericht waardoor steeds meer bergbeklimmers naar Zwitser­land trokken. Het woord `tourist' werd naar het schijnt voor het eerst door een Engelsman gebruikt: John Byng in 1788. Het woord `Tourism' is traceerbaar tot in 1811. Zie hiervoor Simmons, p.207. Martin‑Fugier, p.231 traceert het woord toerist terug tot in 1816 en meent dat het begrip populair werd door een boek "Les memoires d'un touriste." Zie verder Boorstin (1961), p.93.

     [67]Ofschoon Cook toen nog geen bezoek aan de V.S. had gebracht. Zie Stucki; Gaulis/Creux, p.37. Kne­bel, p.21: "In den 20er Jahren des 19.Jahrhunderts entstanden in der Schweiz Tou­ristenhotels, die bald den einfachen Gasthöfen und Privatunterkünften die zahlungskräftigen Touristen entzogen."

     [68]Reinle, IV, p.112. Zie ook Meyer, p.211‑225.

     [69]Pimlott, p.188.

     [70]Ibid., p.208. In 1853 schreef de Baedecker dat een dorpje als Interlaken door zoveel Engelse toeris­ten bezocht werd, dat iedereen Engels sprak en de gewoonten van de bezoekers werden overgeno­men.

     [71]Hautecoeur, VII, p.323‑325. Zie ook voor de voorbeeldfunctie van deze hotels Handbuch der Baukunde, (1884), II, p.869.

     [72]Zie voor deze observatie ook Girouard (1985), p.303 en noot 7. Kruisbestuiving tussen de twee con­tinenten had via bezoeken plaats. In oktober 1871 reisde P.Palmer na de grote stads­brand van Chi­cago naar Europa om deze hotels en de Zwitserse en het Langham hotel in London te bestuderen voor het ontwerp van het nieuwe Palmer House, een hotel dat al zeer beroemd was in Chicago. Zie Westfall, p.269.

     [73]Reinle, p.114. Zie ook Handbuch der Architektur, p.869.

     [74]Richter/Zänker, p.114‑118.

     [75]Birkner, p.130, over het Palace hotel te Caux (1902‑1904; architect E.Jost) met een voorge­vel van 230 meter lengte: "gleicht der Bau eines Luxusdampfers, keinem bestimmten Baug­rund angehörend, losgelöst von dem Realität." Natuurlijk waren er ook andere gebouwtypen. Meyer, p.221 heeft op een minderheid gewezen die in een chaletachtige of Middeleeuwse stijl waren uitgevoerd.

     [76]Schmitt, p.41‑43 en Steinhauser, p.173‑175. Garnier greep in zijn Opéra terug op die voor­beel­den, bedoeld volgens Steinhauser om indruk te maken. Zij vergelijkt ook bijvoorbeeld de in­drukwekkende trap in tentoonstellingsgebouwen, warenhuizen en vestibules in hotels : alle­maal ruimten die met elkaar gemeen hebben dat er iets of iemand `uitgestald' moet worden en dat zij een represen­tatieve functie bezitten.

     [77]Escoffier, p.XI geciteerd in Mennell, p.158: "since they are eminently adapted to the exhibi­ting of magnificent dress." Vooral Peacock Alley in het Waldorf Astoria Hotel in New York was wat dit betreft zeer beroemd en werd door velen geïmiteerd.

     [78]Hessels, p.16.

     [79]Schmitt, p.157. In hotel Beau Rivage te Ouchy waren aanwezig: een leessalon, een conver­satie‑ en damessalon, salons voor het ontbijt en andere maaltijden, een rook‑ en biljartsalon. Zie ook Hand­buch der Baukunde, p.771 en 789: "das Hotelwesen aus sich selbst heraus in einer Weise entwick­lend können, dass es in vielen Dingen für die Hotels anderer Länder massgebend geworden ist".

     [80]Een vroeg voorbeeld daarvan was het Paragon Station Hotel (1847‑1850 architect G.T.An­drews) met een binnenplaats van 60 m 2 voorzien van een glazen koepel tussen de b.g.g en eerste verdie­ping. Zie Monkhouse, p.126. In het hotel Kaiserhof in Berlijn (1877 arch. v.d.Hude en Hennicke) in Berlijn lag de koepel op de derde verdieping en kon de hotelgast van de onderliggende verdiepingen vanuit een arcade in de eetzaal kijken: een situatie die op identieke wijze op passagiersschepen was terug te vinden. Zie ook Schmitt, p.141‑143. Zie verder Boniface, met foto's van prachtige restaurants zoals de Grand Salon in het Holborn Restaurant (1884; architecten Archert & Green), eetsalon in het Grand Hotel (1881; architect F.Francis).

     [81]Glucksmann, p.401‑403. Al sinds 1867 bestond , eerst als Duitse belangenvereniging, de In­terna­tional Hotelbesizter Verein, die een tijdschrift uitgaf. De vroege jaargangen van dit tijd­schrift zijn jammergenoeg in Nederland of Duitsland onvindbaar. Zie ook Swinglehurst, p.116.

     [82]Camplin, p.264; zie ook Handbuch der Baukunde, II, p.769.

     [83]Boniface z.p. wijst er in de introductie van zijn fotoboek op dat Londen tot de komst van het Grand Hotel van eigenaar F.Gordon in 1881 geen hotels van betekenis bezat. Dat gold ook voor de provin­cie. In deze periode zouden sociale gewoonten echter veran­deren door een nieu­we mode: de popula­risering van het gemengd dineren in een openbare gelegenheid. De restau­rants van de hotels in de steden richtten zich niet uitsluitend meer op de residerende gasten, maar ook op toevallige bezoe­kers. Zie daarvoor hoofdstuk 6 paragraaf 1.

     [84]Zie Simmons, p.203 voor Londen: Het eerste spoorweghotel in Londen was het Euston uit 1839, gebouwd: "expressly for the purpose, in the fashion of those in America."

     [85]Glücksmann, p.147. D.Taylor, p.75 citeert Reeves Smith, die tussen 1894‑1897 manager was in het eerste klas Victoria hotel in London, een hotel goed voor 500 gasten. Er waren in totaal vier bad­kamers, acht douches, maar wel honderden z.g. `flat‑baths', een soort ondiep bad dat onder het bed paste en waar slechts enkele centimeters water in stond. Er waren enkele zitba­den aanwe­zig. De gangen waren nog onverwarmd, er was geen centrale verwarming. Zelfs in de Berkeley, een zeer beroemd hotel in London moesten alle koffers omhoog gedragen worden en dit hotel bezat zelfs geen service‑lift voor maaltijden!

     [86]Handbuch der Baukunde, II, p.771.